2005: Het gebeurt tussen je oren

Het verslag

Heeft ons gedrag met onze voeding te maken?
Wordt de biochemie in onze hersenen beïnvloed door wat we eten en drinken?

19e Orthomoleculaire Informatiedag
Gedragsproblemen, angst, depressie, migraine, schizofrenie, dementie en de neurologische gevolgen van de ziekte van Lyme.


Zaterdag 1 oktober 2005 in Hotel Oud London in Zeist

Verslag door Desiree Rover, dagvoorzitter


Hersenen in de praktijk
Neuropsychiatrische ziektebeelden kunnen ontstaan door een keten van reacties vanuit de darm richting hersenen. Een onhandelbaar meisje (6) heeft buikpijn, ogenschijnlijk sinds de scheiding van haar ouders. Verder vertoont ze een groeiachterstand, en heeft ze een te snelle hartactie. Psychotherapie helpt niet. Een ELISA-test onthult de aanwezigheid van Giardia Lamblia, een algehele depressie van de darmflora, een verhoogd antigliadine IgA, en een niet afwijkend transglutaminase. De Giardia wordt behandeld met Metronidazol, het dieet wordt van gluten ontdaan, terwijl de toediening van probiotica op basis van bifidumbacterium spp. en lactobacillus spp. zorgt voor herstel van het slijmvlies in de dunne darm. Na enkele dagen is dit kind klachtenvrij en sindsdien haalt ze de door coeliaki en darmparasieten veroorzaakte groeiachterstand in. Ook is er het voorbeeld van een patiënt bij wie gluten en/of caseïne onvolledig worden afgebroken, waardoor er in de darm opioïd-achtige peptiden ontstaan. Passeren deze een door leaky gut syndrome beschadigde darmwand, dan komen zij via het bloed ten slotte in de hersenen terecht. Daar veroorzaken zij hyperactiviteit, met als gevolg gedragsafwijkingen. Liever dan de diagnose te volgen van psychotrauma door psychiaters, en de daarmee samenhangende automatische inzet van beschadigende psychofarmaca, kan men concrete antwoorden zoeken in het lichaam. Met een volgens een gestandaardiseerd protocol vormgegeven IgG voedselanalyse, met onderzoek van de feces op respectievelijk IgA secretoir antigliadine en anti-epidermaal transglutaminase antilichamen sIgA, naast urineonderzoek op afbraakproducten van de al genoemde opioïd-achtige peptiden. Met de inzet van een dieet waaruit gluten, koemelk en gisten zijn verwijderd, is deze patiënt, na jarenlang te zijn overgeleverd aan angst-, en paniekaanvallen en waandenkbeelden, al na 5 dagen(!) volledig klachtenvrij.
Triest, dat in de psychiatrie geen enkele aandacht wordt geschonken aan de effecten van voeding op gedrag en psyche. Op de werkvloer van de psychiatrische afdeling van een gerenommeerd academisch ziekenhuis beloont men een jonge patiënt (12 jaar), met klachten als hierboven beschreven, voor zijn goede gedrag in de isoleercel… met een uitstapje naar de Cola-light automaat. En een kort na haar bevalling opgenomen patiënte krijgt anti-depressiva, in plaats van dat men de omega-3-vetzuren (vooral DHA) aanvult die haar baby uit haar weefsels wegnam tijdens de zwangerschap.

Voeding en asociaal gedrag
De voeding die in de hierna genoemde instellingen wordt verstrekt, draagt geenszins bij aan een verbetering van de volgende cijfers: van de populatie in verpleeghuizen is 30-40% ondervoed, in verzorgingshuizen 10-15%, en in ziekenhuizen 25-45% – artsen in opleiding (AIO’s) scoren naar alle waarschijnlijkheid nog hoger. Het was een ingrijpende, persoonlijke ervaring met dit laatste aspect dat de Amerikaanse biochemicus Jeffrey Bland aanzette tot realisatie van de causale benadering waarin hij nu voorloper is: het met dieet, supplementen en bewegingsprogramma’s herstellen van de lichaamsprocessen, waarvan de verstoringen zich al in tastbare ziektebeelden hebben geuit (A&A,2000(6):2-6 en A&A,2003(1):40-4).
Er is een directe relatie tussen voeding en asociaal gedrag, zoals al vanaf 1981 aangetoond in diverse onderzoeken door onder meer Stephen Schoenthaler, criminoloog aan de universiteit van Californië. Naast in voedingstekorten en overgevoeligheid, is daarin onderscheid te maken in goede voeding in het algemeen (bijvoorbeeld het weglaten van suikers, kleurstoffen en geraffineerde producten),en afzonderlijke voedingstoffen (waaronder multivitamine preparaten, carnitine, B-vitaminen,
Het onderzoek van Bernard Gesch naar de effecten van suppletie met vitaminen, mineralen en vetzuren op het antisociale gedrag van jonge gevangenen (British Journal of Psychiatry 2002, 181:22) laat zien dat dit antisociale gedrag, waaronder geweldplegingen, afneemt met zelfs een beperkte biochemische benadering – de gebruikte voedingssupplementen waren gekozen vanwege hun gratis beschikbaarheid, niet op basis van een gewenste, optimale samenstelling. Niettemin extrapoleerde men deze uitkomst zelfs expliciet naar zich slecht voedende personen in de vrije maatschappij. Dat deze conclusie correct is, moge blijken uit de onderzoeken onder bijvoorbeeld schoolkinderen. En het Britse parlementslid Alan Simpson spreekt over een antisociale tijdbom die met voeding onschadelijk te maken is. In een onderzoek dat werd gepubliceerd in Physiology of Behaviour (2004;82(5):835-9) werden 90 parameters gemeten in haar, bloed en urine. Deze bevatten onder meer verhoogde Cu/Zn ratio, verlaagde en verhoogde histamine gehaltes, pyrrolurie (HPU), zware metalenbelasting, dysglycemie, en malabsorptie.
Met een geïndividualiseerde biochemische Pfeiffer therapie (van psychiater Carl Pfeiffer, samen met zijn al even baanbrekende collega Abram Hoffer met pathetische hardnekkigheid niet vermeld in Pinkhof’s Geneeskundig woordenboek) herstelde 58% van de 105 deelnemers geheel van agressief gedrag, en herstelde 53% geheel van destructief gedrag. De beste resultaten werden gevonden onder de deelnemers jonger dan 14 jaar.
Terwijl rond 1990 de gevestigde orde Schoenthaler’s onderzoeksresultaten weghoonde, gaat in 2006 in Nederlandse JOVO-inrichtingen (voor jongeren van 17-24 jaar) met een aangepaste voedingssupplementformule een onderzoek van start naar de relatie tussen voeding en gedrag.

Dieet en neurotransmitters
Onder de oorzaken van depressie bevinden zich zowel psychologische-, biologische-, als omgevingsfactoren. Majeure depressie wordt door de wetenschap als een biologische verstoring in de hersenen beschouwd. Klinische depressie ontstaat wanneer er een chemische onbalans is in de neurotransmitters van de klasse van de biogene aminen – catecholaminen, kortweg CA – niet, of niet goed functioneren: serotonine (depressie, slapeloosheid, geheugenproblemen, gebrek aan concentratie, verminderd onderscheidingsvermogen, IBS/geïrriteerde darm syndroom, migraine, PMS en pijnsyndromen), het ACTH-releasing hormoon CRF (corticotrophin-releasing factor), omega-3-, en -6-vetzuren, foliumzuur, noradrenaline (stemming, helderheid, alertheid), GABA (gamma-aminoboterzuur), magnesium, en histamine (obsessief compulsieve stoornis, paranoia, gevoeligheid voor pijn, verstoorde slaappatronen, ontvankelijk voor kou en allergie, hoofdpijn).
De biochemische verstoringen resulterend in depressie geven verschijnselen die van patiënt tot patiënt sterk variëren. Ook bestaat er geen simpele, of eenduidige biologische marker voor een klinkklaar profiel van ’de depressieve persoonlijkheid’. Metingen van CA in de urine zijn niet betrouwbaar, omdat het gehalte aan deze stoffen afhankelijk is van de pH: zure urine vergemakkelijkt vrije CA-excretie via de nieren, basische urine vertraagt dit proces.
Een geheel nieuwe methode voor vaststelling en behandeling van de oorzaak van de depressie is de analyse van de neurotransmitters in de bloedplaatjes van de patiënt op sub-Pico moleculair niveau. Bloedplaatjes verzamelen CA vanuit plasma proportioneel ten opzichte van de in plasma circulerende concentraties, terwijl deze CA-niveaus in de bloedplaatjes bovendien minder sterk fluctueren dan die in plasma. Bij onderzoeken waarin de CA-niveaus in bloedplaatjes werden vergeleken met die in tests van urine, plasma en liquor, bleek dat alleen de resultaten van de (zeer belastende) liquortest daarmee significant overeenkwamen. Het gehalte in liquor is de beste maat voor de biochemische processen in de hersenen.
Tijdens zijn onderzoekingen vond Audhya dat de absorptie van tryptofaan, of van 5-OH-tryptofaan (5-HTP) speciale aandacht vraagt.
In de onderzoeken die werden uitgevoerd door prof Tapan Audhya van de universiteit van New York en Vitamin Diagnostics in New Jersey, bleek een aantal stoffen bij te dragen tot de absorptie van 5-OH-tryptofaan; deze werden vaak tezamen toegepast, waardoor uitspraken over hun individuele behulpzaamheid nog niet kunnen worden gedaan. Het ging hierbij onder meer om L-methionine, fosfatidylserine, PABA, vitamine B12, vitamine B6, foliumzuur, pantotheenzuur, magnesiumcitraat en een mengsel van essentiële aminozuren.
Voor het vermijden van depressie gelden praktische voedingsadviezen, afkomstig uit succesvolle longevity protocollen: Eet zo vaak mogelijk banaan, walnoten, tomaat, kaas, yoghurt, tarwekiemen, haver, avocado, pruimen en ananas. Gebruik in plaats van verzadigde vetten olijfolie, lijnzaadolie en sesamolie. Eet volgens een dieet van onbewerkte voedingstoffen, en met complexe koolhydraten van hele granen, peulvruchten, zetmeelrijke groenten; eet in plaats van rood vlees sardines en het witte vlees van kalkoenen.
Bij een hoog middernachtelijk cortisolniveau is voeding met een hoog fosfatidylserinegehalte aan te raden (bijvoorbeeld broccoli).

Schizofrenie
Schizofrenen hebben vaak afwijkende concentraties tryptofaan in de hersenen – voeding met daarin weinig tryptofaan verergert negatieve symptomen en cognitieve stoornissen. Verder vertonen schizofrenen een abnormale schildklierfunctie, in het bijzonder recent opgenomen acute schizofrenen hebben vaak een verhoogd thyroxine (T4). De acute symptomen van schizofrenie houden gelijke tred met een verstoorde balans van schildklierhormonen.
Kenmerken zijn verder onder meer een tekort aan niacine (vitamine B3); niet blozen na hoge dosis niacine;’kryptopyrrol’-niveaus zijn vaak verhoogd; een verslechterd antioxidant-defensiesysteem; verbetering met omega 3-vetzuren; afwijkingen in membraanfosfolipiden, samengaand met lekkage van arachidonzuur of andere vetzuren.
Psychiater Abram Hoffer constateerde bij schizofrenen een overmatige omzetting van adrenaline in adrenochroom.

Zwavel en de psyche
Zwavel speelt in het lichaam bij zeer veel reacties een rol, vele van deze routes zijn nog onbekend. Voor de diverse omzettingen, benodigd voor de vorming van sulfaat, zijn vitamine B6 en het aminozuur serine nodig. Verstoring in dit metabolisme kan leiden tot een hoge doorlaatbaarheid van de darm, verminderde resorptie van stoffen (w.o. sulfaat) uit de nieren, problemen met de ontgifting en neurologische en allergische klachten.
Het lichaam neemt zwavel op verschillende manieren op: uit de voeding (SO42- en cysteïne, cystine, methionine, spruitjes, maïs, granen, noten); via (Duitse) geneeskrachtige watersoorten met daarin een hoog gehalte aan SO42-; via supplementen (MSM, MgSO4, glucosaminesulfaat, glutathion, NAC); en via de huid (mineralenbad). Verlies van zwavel vindt plaats via de nieren (testen op sulfaat in de urine), door het teloorgaan van zwavelbruggen in de nieren vanwege oxidatie-effecten door kwik (MDA-test). Kwik heeft een grote affiniteit voor zwavel en selenium. Een verstoring in de zwavelhuishouding door afwezigheid van, of door een tekort aan molybdeen en selenium kan aanleiding zijn voor psychische en psychiatrische ziektebeelden – veel autisten vertonen een hoge kwikbelasting (A&A,2005(6):24-28). Molybdeen is bovendien nodig voor de ontgifting van de aldehyden uit suiker en alcohol. Sulfietaccumulatie en sulfatie van dopamine zijn daarin mogelijke werkingsmechanismen. Sulfietaccumulatie levert hoofdpijn, neurologische schade, en de verergering van autistisch, AD(H)D en hyperactief gedrag op, naast concentratieproblemen, gejaagdheid en angstgevoelens. Ondersulfatie geeft problemen in de dopamineregulatie, en deze kunnen autisme, AD(H)D, hyperactiviteit en angststoornissen opleveren.

De hersenen en ouderen
De bevolking wordt steeds ouder, en daarmee zullen verschijnselen als dementie en ’mild cognitive impairment’ (een toestand waarin de persoon blijk geeft van geheugenproblemen niet passend bij de leeftijd, niet dement is, cognitieve achteruitgang aantoonbaar is, maar normaal functioneert) steeds vaker voorkomen. Homocysteïne, foliumzuur, en de vitamines B6 en B12 spelen hierin een rol. Homocysteïne spiegels nemen toe na de menopauze (Moustapha & Robinson, 1999).
De kans op cognitieve achteruitgang is 2.8 keer groter (p< 0.05) in personen met relatief hoge homocysteine spiegels (Dufouil et al, 2003): homocysteïne wekt expressie en afscheiding op van MCP-1 en IL-2, en verhoogt LDL.
Atherosclerotische afzettingen zijn niet de link tussen homocysteïne en cognitie
Verslechterde endotheelfunctie door homocysteïne kan ten grondslag liggen aan hoger risico op hart- en vaatziekten (de Bree et al, Pharmacol rev, 2002)
Er is geen verband tussen bewegen en homocysteïne (de Bree)
De toediening van foliumzuur samen met vitamine B12 verlaagt de homocysteïne niveaus en verbetert de cognitie in niet-demente ouderen. Totale aanbevolen dagelijkse inname van foliumzuur bij ouderen (65-75 jaar) om plasma homocysteïne spiegels te verlagen is 926 μgram. Een kleine dubbelblind gecontroleerde studie laat zien dat 15 mg foliumzuur gedurende 60 dagen in ouderen met cognitieve achteruitgang, het geheugen verbetert.
Hoewel de mechanismen nog onbekend zijn, blijkt een andere, en onafhankelijke manier om dementie en mild cognitve impairment op afstand te houden, beweging te zijn. Zo hangt bewegen, in de vorm van wandelen bij oudere vrouwen (70-81) samen met significant betere cognitieve functie en ook een mindere achteruitgang daarin (JAMA 2004, Weuve et al, Nurses Health Study); bij oudere mannen (71-93) houdt wandelen verband met een verminderd risico op dementie (JAMA 2004, Abbott et al).