2000: Bewegen is Leven

Presentatie Dr. B. van Dam

3. Etiologisch model

Steeds meer onderzoek gaat uit van de centrale betekenis van de darmflora bij de handhaving van een immunologisch evenwicht (zie literatuurlijst). Het Gut Associated Lymphoid Tissue (GALT) omvat ca. 80% van de functionele capaciteit van het immuunsysteem. Een goed functionerende kolonisatieweerstand staat of valt met het symbiotisch evenwicht van de darmbewoners (van Dam, 2000; Tysscher, 1995).
Veranderingen van de darmflora, vooral verschuivingen in dit labiele evenwicht naar de kant van facultatief pathogene bacteriën (aerobier) hebben te maken met een afname van de kolonisatie-weerstand, die o.a. afhankelijk is van zo verschillende factoren als: Turn-over van de mucosa, productie van s-IgA en van maagzuur, aanwezigheid van een fysiologische darmflora (ca. 400 species, voornamelijk anaerobe bacteriesoorten) en van een regelmatige darmperistaltiek. Een groot aantal stressoren (o.a. kwaliteit van de voeding, mentale stress, gebruik van antibiotica en/of corticosteroïden, etc.) kan invloed hebben op de darmflora en daarmee op de kolonisatie-weerstand.
Een verandering van de kolonisatieweerstand heeft regelmatig een veranderde permeabiliteit van het intestinum ten gevolge (Smith, 1985; Jenkins, 1987; Berg, 1999). Hieruit resulteert een overbelasting van het GALT met consequenties voor het systemische immuunsysteem. Peptidoglykanen uit celwandfragmenten membranen van normale darmflorabacteriën komen via de Peyersche Plaques het lichaam binnen en veroorzaken (al of niet samen met moleculaire mimicri tussen aminozuursequenties van bepaalde bacteriespecies en fragmenten van het HLA gen op het 6. chromosoom) daar een lokale en/of systemische reactie van het immuunsysteem. Melief (1995) publiceerde in de Br. J. Rheumatol. zijn bevindingen met een monoklonaal antilichaam 2E9. 2E9 is een specifiek antilichaam tegen voornoemde peptidoglykanen en zal, als de theorie juist is, moeten reageren tegen macrofagen en dendrietcellen in de synovia van RA - patiënten. Dit bleek bij 80 % van de patiënten met RA het geval te zijn (in en controlegroep reageerde 35%).

Naar boven